Helmondse veteraan even terug in Srebrenica

HELMOND – Hij keek na 22 jaar in de ogen van de vrouwen van wie hij de mannen niet kon beschermen. De Helmondse veteraan Sjors van de Laar was onlangs terug in Srebrenica.
De rust. Het was het eerste wat hem opviel, het eerste wat indruk maakte. Toen hij er 22 jaar geleden was, liepen er duizenden mensen over straat. Ze hadden nauwelijks eten, nauwelijks kleren aan en woonden met vijf gezinnen in één huis. Maar de drukte is niet meer, het gevaar evenmin. ,,Ik kon nu zonder wapen en helm een ijsje op het terras eten”, vertelt Sjors van de Laar. ,,En dan kijk je een keer om je heen en besef je pas wat voor een schitterend gebied Srebrenica eigenlijk is.”

De Helmondse veteraan (59), die drie jaar geleden afzwaaide in het leger, was onlangs samen met vier oud-collega’s op uitnodiging van vredesorganisatie PAX voor even terug in de Bosnische stad en gemeente. Terug op de plek waar in 1995 de grootste genocide in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog plaatsvond (zie kader). Terug op de plek ook waar vrijwel een heel Nederlands bataljon getraumatiseerd raakte.

Dutchbat III heette de legereenheid, Van de Laar was er konvooicommandant. Voedsel, munitie, militairen: hij was verantwoordelijk voor elk transport dat Srebrenica in- en uitging. Een taak die in de zeven maanden tijd dat Van de Laar ermee belast was, beetje bij beetje aan banden werd gelegd door de Bosnische Serviërs, die buiten de enclave hun checkpoints hadden. Nieuwe Nederlandse militairen, voedsel en vooral brandstof kwamen Srebrenica niet meer in.

Verhongeren

,,Alles draaide op aggregaten. We hadden geen licht, geen warm water, het drinkwater kon niet gezuiverd worden”, vertelt Van de Laar. ,,Pas als we echt dreigden te verhongeren, lieten ze weer wat vlees door. Voor de rest moesten we het doen met vitaminepillen en andere rantsoenen. Wapens? Dat stelde niks voor. Ik had een uzi met dertien kogels erin. Daar kun je natuurlijk niks mee.”

Het zijn herinneringen als deze die bovenkomen als hij binnenstapt in de oude accu-fabriek waarin de Nederlanders hun kamp hadden opgeslagen. ,,Die hal is zo groot als drie voetbalvelden. Daar heb ik zeven maanden gezeten. Ik kende er op een gegeven moment elk schroefje. En nu? Er is niks veranderd. De auto-onderdelen die we daar achterlieten, liggen er nog steeds. Ik weet nog dat ik op een gegeven moment twee gymschoenen had geruild voor twee eieren en die ging ik midden in die enorme hal staan bakken. Die geur…kun je je het voorstellen?”

Tegenover het voormalige kamp ligt nu de begraafplaats. Van de Laar legde een krans op de laatste rustplaats van meer dan achtduizend Bosniakken, de moslims die in de enclave verbleven. Toen zij in 1995 werden vermoord vlak na de val van Srebrenica, was Van de Laar net vertrokken. Hij moest bataljon Dutchbat IV, dat hem en zijn collega’s kwam aflossen, ophalen. Op de terugweg werd hij bij een brug tegengehouden door de Bosnische Serviërs.

Toen hij een paar dagen later in zijn eentje alsnog werd doorgelaten, wist hij nog niks van de genocide. ,,Maar op weg naar Srebrenica zag ik langs de kant van de weg overal kleren liggen, speelgoed, spullen, koffers. Kilometers langs. Toen wist ik meteen dat het goed mis was. Later ontdekte ik dat ik voorbij de gymzalen en voetbalvelden was gereden waar die mensen met duizenden tegelijk waren doodgeschoten. Ze verzamelden die moslims gewoon allemaal op één plek en openden dan het vuur.”

Van de Laar sprak tijdens de terugkeer met vrouwen die destijds hun mannen en zonen verloren. Een gesprek waar hij tegenop zag. ,,Je weet natuurlijk niet hoe ze gaan reageren. Maar na een hand en een knuffel was de ergste spanning verdwenen. Vervolgens was het een heel emotioneel gesprek waarbij de vrouwen een paar keer in tranen uitbraken vanwege de herinneringen. De nabestaanden namen ons, de militairen zelf, niks kwalijk. Ze beseften dat wij niet de middelen hadden om hun mannen te beschermen. Dat deed me goed. Maar ze zijn wel boos, vooral op de overheid omdat die nooit zijn excuses heeft aangeboden.”

Littekens

Niet alleen bij de nabestaanden zit pijn, ook bij Van de Laar en zijn collega’s liet Srebrenica diepe littekens achter. Uit het voormalige bataljon Dutchbat III pleegden verschillende mensen zelfmoord, velen zijn getraumatiseerd. Hijzelf? Misschien ook wel. ,,Ze moeten nog vaststellen of ik PTSS heb”, zegt Van de Laar. In Nederland zijn hij en zijn collega’s jarenlang met de nek aangekeken. ,,Zelfs mijn eigen vader verweet mij ooit dat we die mensen niet konden beschermen. Altijd moest ik maar weer uitleggen hoe machteloos wij waren. Op een gegeven moment ben ik naar België verhuisd omdat ik klaar was met al het gezeik.”

Hij heeft inmiddels weer een huis in Mierlo-Hout. Het kan weer. In Nederland is steeds meer het besef dat de Dutchbatters met een onuitvoerbare opdracht naar Srebrenica werden gestuurd. Het maakt het leed onder de Bosniakken er niet minder om. Het verhaal over de vele doden moet volgens Van de Laar levend worden gehouden: ,,Wat hier is gebeurd in 1995 mogen we nooit vergeten. Dit mag nooit meer.”

Het is een van de redenen waarom de Helmonder zeker nog een keer terug wil naar Srebrenica. Hij overweegt mee te lopen in de jaarlijkse mars waarmee de duizenden Bosniakken worden herinnerd die zich destijds te voet in veiligheid probeerden te brengen. Dat kan hem net als de reis van afgelopen week helpen bij de verdere verwerking: ,,Ik heb nu gezien dat het daar weer goed gaat. Dat er weer barretjes en restaurants zijn. Dat mensen er weer leven. Dat het er weer veilig is. Het beeld van die kilometers aan kleren en koffers langs de kant van de weg ben ik langzaam aan het kwijtraken.”

Bron: http://www.ed.nl, Chiel Timmermans 27-05-17