Proeve van bekwaamheid: Huiselijk geweld waarbij militairen of veteranen betrokken zijn.

proeve van bekwaamheidMet toestemming van collega Rullens mag ik op dit blog delen van haar proeve van bekwaamheid plaatsen. Deze proeve is van 2006 – 2007. De proeve van bekwaamheid heeft ze naar aanleiding van haar opleiding politiekundig bachelor aan de Politieacademie te Apeldoorn en de daarbij behorende kernopgave ” Aanpak van sociaal psychische problematiek ” gemaakt. Haar uiteindelijke doel is een verbeterplan te schrijven voor de koninklijke marechaussee over huiselijk geweld waarbij militairen of veteranen betrokken zijn. Gelet op het feit dat deze proeve al enige tijd is geleden en mij nu niet duidelijk is, kan ik geen uitspraak doen wat met dit verbeterplan is gebeurd. De praktijk leert mij wel dat veranderingen op dergelijke vlakken heel geruime tijd nodig heeft. het is een langdurend proces.

Ik heb niet alle delen van de proeve hier geplaatst. Of dit alsnog in een later stadium gaat plaats vinden, zal na overleg met de collega wel of niet plaats vinden. Nu heb ik een scheiding gemaakt tussen openbaar verkrijgbare informatie en niet openbaar verkrijgbare informatie. In 2013 kreeg ik via onze voorlichtingsdienst een schrijven met feiten over PTSS binnen defensie. Deze feiten plaats ik ook hier, zodat men in combinatie met de proeve een vergelijk kan maken of feiten kan koppelen.Feiten PTSS verstrekt door voorlichtingsdienst Koninklijke marechaussee:

Uit internationaal en Nederlands onderzoek komen tot nu toe steeds ongeveer dezelfde percentages van mensen die problemen na uitzendingen ontwikkelen. De hieronder genoemde percentages worden “als vuistregel” gehanteerd, ze kunnen wat afwijken afhankelijk van welk onderzoek men citeert.

• Ongeveer 20% van de militairen heeft na terugkeer enigerlei vorm van klachten, psychisch of lichamelijk van aard, variërend van lichte ongemakken tot klachten waarvoor hulp gezocht wordt.
• Ongeveer de helft van de klachten is psychisch van aard. Een groot deel van deze klachten gaat binnen de eerste drie maanden na terugkeer vanzelf over. Ongeveer 10 % van de teruggekeerde militairen behoeft een vorm van behandeling, variërend van kortstondige medische behandeling tot langduriger psychische hulpverlening.
• In ongeveer 5% van de gevallen blijkt, na klinische interviews, sprake van PTSS, waarbij het merendeel goed op behandeling reageert en ongeveer 1 a 2 % van hen blijvende klachten behoudt en langdurige begeleiding nodig heeft.

Toelichting: Het aantal militairen bij wie de diagnose PTSS wordt gesteld varieert per uitzending. Goed gevalideerd Nederlands onderzoek onder militairen in Irak liet 5 tot 15 maanden na de uitzending een percentage van 2 tot 4 % zien, maar voor enkele andere uitzendingen zoals Srebrenica en Rwanda/Zaïre leken de aantallen wel iets hoger uit te pakken. De zorg was destijds overigens niet zoals nu. Voor de uitzending naar Uruzgan zijn komen er langzamerhand percentages los, maar ook veel onderzoeken zijn nog niet afgerond. Op dit moment lijken de percentages van de mensen die uiteindelijk PTSS krijgen nog altijd stabiel.

Het PRISMO-onderzoek is een langdurig prospectief onderzoek (volgt militairen in de tijd) onder militairen die uitgezonden zijn geweest naar Afghanistan en die zowel voor als na de uitzending worden onderzocht op verschillende onderwerpen. We hopen dat bij de verdere analyse van de gegevens uit het PRISMO -onderzoek en de verdieping daarvan meer kennis ontstaat over dit soort mechanismen en de betekenis voor preventie, screening en vroegtijdige herkenning en behandeling.

 

Proeve van bekwaamheid :

“ Aanpakken sociaal psychische problematiek.”
Huiselijk geweld.

“Niemand stap lichtvaardig een oorlogsgebied binnen….
En niemand stapt er lichtvaardig uit……”

 

Een gedeelte van de inleiding:

De taakstelling en de samenstelling van het Nederlandse leger is de afgelopen decennia ingrijpend veranderd. Sinds 1977 is de Nederlandse krijgsmacht een beroepsleger met internationale missies. De militairen maken verschillende uitzendingen mee op alle voorkomende geweldniveaus. Militairen worden steeds beter geselecteerd, getraind en toegerust, maar het is en blijft een risicoberoep en niet alle militairen komen onbeschadigd uit de strijd. Het deelnemen aan een gewapende strijd of vredesmissie is een bijzondere ervaring voor militairen die dit meemaken. Dit blijft hen voor de rest van het leven bij. Voor velen in positieve zin, maar voor een aantal ook in negatieve zin voor een korte of langere periode en soms zelfs levenslang. Uitzendingen kunnen ook gevolgen hebben voor de relatie met het thuisfront. Professor .Dr. Gersons, hoogleraar psychiatrie aan de Universiteit van Amsterdam, zegt daar het volgende over: “ Naast de directe lichamelijke gevaren is het risico op het ontwikkelen van psychische problemen en stoornissen als gevolg van een uitzending aanzienlijk. De confrontatie met gewelduitoefening, constante dreiging van aanslagen en gevaar voor eigen leven dragen daar aan bij. De confrontatie met het lijden van de plaatselijke bevolking en de onderdrukking tussen bevolkingsgroepen kunnen hun sporen nalaten bij uitgezonden militairen. Onthechting van de eigen samenleving na terugkeer komt mede daardoor voor. Dit kan tot de nodige aanpassingsproblemen leiden en psychische stoornissen leiden geven.” (Gersons, B. (2005) ‘ Bijzondere missie: Geestelijke gezondheidszorg voor militairen en veteranen’.)

Uit onderzoeken in Nederland over de periode van 1981 t/m 2005 is gebleken dat statistische gezien 20% van de militairen vroeg of laat problemen krijgt. De Taskforce Uruzgan in Afghanistan bestaat jaarlijks uit ongeveer 1400 militairen. Dit houdt in dat gemiddeld per missiejaar 280 militairen problemen krijgen. Uit onderzoek blijkt dat 5 tot 10% van deze militairen een trauma overhoudt aan een uitzending. Militairen en burgers zijn vergelijkbaar betreffende het ontstaan van psychische stoornissen. In de civiele en militaire GGZ worden in dezelfde mate vergelijkbare diagnoses vastgesteld, met uitzondering van het posttraumatisch stresssyndroom (PTSS). “ PTSS is een psychische aandoening die in het DSM-IV is ingedeeld bij de angststoornissen. De aandoening ontstaat als gevolg van ernstige stress gevende situaties, waarbij sprake is van levensbedreiging, ernstig lichamelijk letsel of een bedreiging van de fysieke onschendbaarheid. Deze situaties zijn voor de personen traumatisch.” Deze wordt bij militairen vaker vastgesteld.” (Gersons, B. (2005) ‘ Bijzondere missie: Geestelijke gezondheidszorg voor militairen en veteranen’.)” Een Amerikaans onderzoek in de ‘Veterans Administration’ toont aan dat mannelijke veteranen met PTSS twee tot drie keer meer aanleg hebben om zich schuldig te maken aan huiselijk geweld dan veteranen zonder PTSS. In Nederland durven onderzoekers deze stelling nog niet te beamen. Prof.Dr. Hjalmar, hoogleraar Forensische Psychiatrie, heeft onderzoek bij militairen met PTSS verricht en hij stelt dat de combinatie fysieke agressie en PTSS niet is aangetoond. Soortgelijke delicten worden meer gepleegd door mensen zonder PTSS. Anders is het met de agressiviteit van mensen met PTSS, die zich vaak manifesteert in werk- en huwelijksrelaties. Deze verbale en soms fysieke agressie is een direct gevolg van de prikkelbaarheid van het centrale zenuwstelsel bij deze aandoening.

Uit de Veteranenmonitor 2008 blijkt dat 61% van de Nederlandse bevolking denkt dat een groot deel van de Nederlandse veteranen psychisch beschadigd is. Veteranen worden gestigmatiseerd en als tikkende tijdbommen gezien. Geruchtmakende zaken, zoals de ex-marinier uit Kerkrade die zijn ex en zijn schoonfamilie doodschoot, blijven hangen en versterken dit beeld. Het taboe over deze problematiek is in militaire kringen moeilijk te doorbreken. Ik hoop dat dat dit stuk bijdraagt aan een verbeterde aanpak van huiselijk geweld waarbij militairen of veteranen betrokken zijn en dat het onderwerp in de toekomst meer aandacht krijgt.

Een gedeelte van Algemeen beeld:

In de afgelopen jaren is steeds duidelijker geworden dat geweld in de privé sfeer op grote schaal voorkomt. Huiselijk geweld komt voor in alle sociale klassen en binnen alle culturen van de Nederlandse samenleving. Vast staat dat militairen en veteranen ook huiselijk geweld plegen. Slachtoffers van huiselijk geweld zijn in de meeste gevallen vrouwen en kinderen.

Politieregistraties over huiselijk geweld vormen een onderschatting van het feitelijke voorkomen van huiselijk geweld. Naar schatting wordt ongeveer 12% van alle voorvallen van huiselijk geweld bij de politie geregistreerd. De primaire oorzaak is de aangiftebereidheid. Niet ieder slachtoffer van huiselijk geweld doet melding of aangifte. Het zelfde geldt voor het aantal meldingen huiselijk geweld waarbij militairen of veteranen zijn betrokken. De Kmar heeft bovendien het nadeel dat de politie deze zaken in veel gevallen afhandelt en niet altijd bij hen meldt. Hierdoor is ook bij de Kmar geen goed beeld over de omvang van huiselijk geweld. De Kmar is momenteel druk doende huiselijk geweld te analyseren en de aard en omvang vast te stellen. Er is al wel een criminaliteitsanalyse gemaakt waarbij is gebleken dat er tussen 2002 en 2007 minimaal 447 incidenten met betrekking tot huiselijk geweld zijn geregistreerd bij de Kmar. Bij deze incidenten werden 349 Nederlandse militairen verdacht en waren 370 directe slachtoffers betrokken. Een aantal van deze verdachten en slachtoffers waren bij meerdere incidenten betrokken.

Volgens de portefeuillehouder, huiselijk geweld, van Militaire Politiedienst Defensie kan de aanpak pas goed worden geformuleerd als het voor de Kmar en de ketenpartners duidelijk is hoe groot het probleem onder militairen en veteranen is. Tot die tijd zal er geen speciale actie worden ondernomen en geldt het protocol ‘huiselijk geweld’. Huiselijk geweld heeft een grote impact op het functioneren van militairen. Voorzichtigheid is geboden, omdat het in dienst zijn van de krijgsmacht een grote verantwoordelijkheid met zich mee brengt. Op uitzending en op oefening zal de groep op elkaar moeten kunnen vertrouwen. Als er sprake is van huiselijk geweld waarbij een militair betrokken is, dan zal er ook moeten worden nagedacht over de functie en inzet van betrokkene. Het omgaan met wapens kan extra risico’s met zich meebrengen.

De huidige krijgsmacht vraagt om kwalitatief hoogwaardige gezondheidszorg, zodat de lichamelijke en psychische gezondheid van de militairen, en daarmee de inzetbaarheid, wordt gewaarborgd. Ook kan hierdoor het gespecialiseerde personeel worden behouden. Bovendien getuigt dit van ‘goed werkgeverschap’. Er lijkt sprake te zijn van een verhoogd risico op klachten die samenhangen met uitzendingen. Het gaat om angst-, en stemmingsstoornissen, de cluster lichamelijke onverklaarbare klachten (LOK), verslavingsproblematiek en persoonlijkheidsveranderingen. Ook relatieproblematiek komt voor na uitzending.

Het is gebleken dat signalering van psychische problematiek voor en tijdens uitzending haalbaar is, doordat men ‘dicht op de manschappen’ acteert. Nederlandse militairen in het buitenland worden psychisch begeleid. Gebeurt er iets ingrijpends dan wordt de begeleiding opgevoe4rd. De psychische bijstand die militairen krijgen is ook gericht op cirkels.

“Kringmodel voor de GGZ.”
Dit model bestaat uit 5 ringen. Beginnend vanuit het midden:
– 1e ring: (ex)militair met een probleem
– 2e ring: familie, buren, vrienden, militaire groep, lotgenoten
– 3e ring: sleutelfiguren; geestelijk verzorgers, commandant
– 4e ring: professionele gezondheidszorg; maatschappelijk werkers, eerstelijnsartsen etc
– 5e ring: gespecialiseerde GGZ-hulp; psychiaters, psychotherapeuten etc

De meest intensieve aandacht gaat uit naar de ‘binnenste cirkel’, bijvoorbeeld militairen die bij een aanslag betrokken waren. Hierbij is een aparte opvang geregeld voor militairen die in deze patrouille zaten. De ‘buitenste (5e) ‘ cirkel is die van de militairen die op het zelfde kamp gelegerd zijn. Opvang bestaat voornamelijk uit groepsgesprekken onder leiding van een psycholoog en , indien nodig, individuele gesprekken. Bij deze aanpak is observeren van belang. Gedragsveranderingen van militairen vormen een aanknopingspunt. Veel militairen verwerken schokkende gebeurtenissen goed, maar ongeveer 5% ontwikkelt op termijn PTSS. Om dat te voorkomen blijft het niet bij begeleiding ter plaatse, maar is er altijd een gesprek vlak voor terugkeer naar Nederland en een verplicht gesprek met een maatschappelijk werker twee maanden na een missie. Zes tot negen na uitzending gaat er een vragenlijst naar de militair en zijn of haar omgeving. In deze lijst worden vragen gesteld over eetlust en eventuele slaapproblemen, emoties en het functioneren in werk en gezin. Uit de ingevulde vragenlijst kan duidelijk worden of extra begeleiding nodig is. Een groep waarbij de aandacht verslapt, zijn militairen die de dienst verlaten hebben. Sommige psychische problemen steken pas jaren later de kop op. Het is lastig om dan nog bij Defensie aan te kloppen. Hoewel signalering van psychische problematiek minder eenvoudig is na uitzending of als militairen de die dienst verlaten hebben, is het belangrijk dat het blijft gebeuren. Sinds kort probeert Defensie dit gemis op te vangen door de komst van de hulpverleningslijn Defensie. Mede dankzij politieke druk is dit telefoonnummer in het leven geroep om de drempel te verlagen voor hulpzoekende militairen, veteranen en hun thuisfront. In de toekomst zal blijken of dit middel een stap in de goede richting is. Feit is wel dat de integrale zorgplicht voor veteranen een grotere rol gaat spelen. Problemen als gevolg van een missie worden steeds meer erkend.
Een gedeelte van verbetervoorstellen:

Door de veranderende functie van de Nederlandse krijgsmacht treden krijgsmachtdelen in toenemende mate gezamenlijk op. Er bestaat echter verschil van inzicht tussen de krijgsmachtdelen over de aanpak van de zorg voor de (geestelijke) gezondheid van militairen. Ook is er een nieuwe generatie veteranen ontstaan die een eigen aanpak vraagt. De diagnostiek in het eerste stadium is nog niet optimaal. Vroegtijdig screeningsonderzoek is noodzakelijk. Het feit dat PTSS moeilijk te herkennen is, heeft invloed op de militair of veteraan. Hij voelt zich vaak maanden of jaren niet begrepen in zijn klachten of denkt dat hij/ zij door hulpverleners met een kluitje in het riet wordt gestuurd. Erkenning van het trauma dient voorop te staan. Er moet goede voorlichting worden gegeven waar iemand zich met klachten kan melden. Volgens het adviesrapport over de geestelijke gezondheidszorg voor militairen en veteranen bestaat er ondanks de grote inzet van medewerkers van de militaire GGZ geen eenheid en inzicht in de aanpak. De afdelingen zijn per krijgsmachtdeel en via het Centraal Militair Hospitaal (CMH) georganiseerd zonder dat iemand organisatorisch of professioneel de leiding heeft over de totale militaire GGZ. Voorgesteld wordt om binnen de militaire GGZ onderling afspraken te maken waarbij een onderzoeksprogramma wordt gerealiseerd gericht op de sociaal psychische problematiek van militairen en veteranen.

Naar voorbeeld van de Verenigde Staten wordt er bij een huiselijk geweld zaak de commandant altijd ingelicht. Dit is voor de hulpverlening bij militairen in Nederland ook wenselijk. Als er geen aangifte is gedaan en er geen ambtshalve vervolging wordt ingesteld, kan de militair worden uitgenodigd door zijn of haar commandant om de stand van zaken te bespreken. De militair kan eventueel worden doorgeleid naar een instantie voor daderhulp bijvoorbeeld polikliniek “ De Waag”. Huiselijk geweld bespreekbaar maken binnen de krijgsmacht zal de aanpak van de sociaal psychische problematiek vergemakkelijken.

In het Verenigd Koninkrijk hebben de commandanten in het leger voorschriften ingevoerd die betrekking hebben tot goede praktijken op het gebied van bestrijding van huiselijk geweld. Misschien is het voor de Nederlandse commandanten nog een brug te ver, maar ‘ lessons learned’ van het buitenlandse leger mogen niet worden genegeerd. Eigen eenheden en de leidinggevenden kunnen veel betekenen in de aanpak van huiselijk geweld.

Indien uit het diepteonderzoek blijkt dat er veel incidenten zijn met wapens dan kan er naar voorbeeld van de Verenigde Staten worden besloten dat de plegers van huiselijk geweld geen wapen meer mogen dragen tijdens hun werkzaamheden. De commandant van de militair kan het wapen hiervoor innemen. Ook hierin zal de communicatie van OM, Kmar en Defensie in goede banen moeten worden geleid.. Tevens merk ik op dat veel veteranen na hun tijd bij Defensie aan de slag gaan als beveiliger of politieambtenaar. De politie zal ook hier de ogen en oren open moeten houden en eventuele voorzorgsmaatregelen moeten treffen. Militaire autoriteiten moeten, als zij met huiselijk geweld worden geconfronteerd, zich niet verplicht voelen deze feiten te “dekken”. Er zullen procedures moeten worden vastgelegd binnen Defensie hoe om te gaan met militairen en veteranen die zich schuldig maken of verdacht worden van huiselijk geweld. Ook moet worden bekeken wat de mogelijkheden zijn als PTSS wordt vastgesteld of als er strubbelingen zijn met het thuisfront.

Het is van belang dat er meer inzicht komt in de mogelijkheden voor zowel de politie, Kmar en ketenpartners. De optie om bij (de dreiging van ) huiselijk geweld een pleger tien dagen uit huis te zetten is een goede maatregel mits de hulpverlening binnen defensie en/ of gemeente is gegarandeerd. Een afkoelingsperiode tijdens het huisverbod (Huisverbod houdt tevens een contactverbod in) is van belang voor het regelen van hulp voor de verdachte en de gezinsleden/ huisgenoten. Mocht er contact nodig zijn dan verloopt dat via de hulpverlener.

Checklist bij aangifte huiselijk geweld:

– De wijze waarop de relatie is ontstaan en het moment waarop en de aanleiding waardoor geweld in de relatie ontstond.
– Eventueel alcohol en/ of drugsgebruik door verdachte.
– Eventueel thuiswonende kinderen, waarbij in het bijzonder wordt vermeld of zij hetzij slachtoffer, hetzij getuige zijn van het strafbare feit.
– De financiële situatie.
– Het eerste huiselijk-geweldincident, een geweldsincident dat typerend is voor de wijze van mishandeling, het meest ernstige geweldsincident en het laatste geweldsincident. Deze feiten moeten met data, tijd en plaats worden aangeduid om inzicht te kunnen geven in de aard en het patroon van het huiselijk geweld. Andere gepleegde delicten worden daar naar tijd tussen geplaatst. Alle voorkomende elementen van de delicten moeten worden omschreven.
– Eventuele getuigenverklaringen over het geweldsincident en/ of het daardoor ontstane letsel
– De mate van angst bij het slachtoffer voor herhaling van huiselijk geweld.
– De ideeën van het slachtoffer over diens toekomstig contact met de verdachte.
– De eventuele expliciete overweging van het slachtoffer dat hij/ zij aangifte doet, omdat hij/ zij wil dat de dader wordt gestraft.
– De eventuele wens van het slachtoffer tot het opleggen van een straat- of contactverbod aan de verdachte. Daarbij wordt met redenen omkleed wat de indicatoren voor herhaling van het plegen van huiselijk geweld jegens het slachtoffer zijn (b.v.: aantal meldingen, levensgevaar, belaging of onberekenbaar gedrag.)
– Is er eerder een huisverbod opgelegd en zo ja, welke periode.
Indien beschikbaar worden bij de aangifte gevoegd:
– Foto’s van lichamelijk letsel en eventuele beschadigingen in en om het huis.
– Een letselbeschrijving en/ of medische verklaring over het letsel.
– Processen-verbaal ter zake van eerdere waarnemingen van huiselijk geweld in dezelfde huiselijke kring (ter onderbouwing van een vermeend stelselmatig karakter van het geweld.)

Bronnen die gebruikt zijn, maar niet allemaal hier genoemd zijn:

 Advies- en onderzoeksgroep Beke. Samenvatting Aanpak in ontwikkeling. Strategie samenwerking en visie bij huiselijk geweld.
 Beke, B.M.W.A. & Bottenberg, M. (2003). De vele gezichten van huiselijk geweld. Aard, omvang en achtergronden. Amsterdam: SWP
 Beke, B. & Dijkman, G. (2009). Handboek huisverbod. Achtergrond, methodiek en procedure. Amsterdam: SWP
 Beke, B. & Rullens, J. (2008). Wet tijdelijk huisverbod. Een handreiking voor de burgemeester. Den Haag: Ministerie van Binnenlandse zaken
 Dijk, T. van, e.a. (1997). Huiselijk geweld, Aard, omvang en hulpverlening. Den Haag: Ministerie van Justitie, Dienst preventie, Jeugdbescherming en reclassering.
 Ferweda, H.B. (2006). Binnen zonder kloppen. Dordrecht: Project Landelijk geweld en de politietaak.
 Gersons, B. (2005). ‘Bijzondere missie: Geestelijk gezondheidszorg voo0r militairen en veteranen’. Den Haag: Ministerie van Defensie.
 Hamers, H.L.H. (2007). (concept) Analyse incidenten huiselijk geweld, waarbij verdachten de militaire status hebben. Bureau criminaliteitsanalyse, BCR&I, DLBE: intern Kmar.
 Heyman, T. (2008). Op verhaal komen, startnotitie preventie huiselijk geweld veteranen. Utrecht: Stichting Cogis.
 Janssen, H. (2006). Geweld achter de voordeur. Amsterdam: Boom.
 KMAR (2008). Integraal zorgconcept vredesoperaties Koninklijke Marechaussee. Defensie.
 Kuppens, J. & Beke, B. (2008). Huisverbod: sleutel tot minder geweld?. Amsterdam: SWP.
 Mali, S.R.F. & Vos, R. (2008). Onderzoeksvoorstel. Veteranen in aanraking met de politie. Politieacademie, Regiopolitie Kennemerland.
 Ministerie van Defensie (2005). Nota Veteranenzorg. Den Haag: Auteur.
 Ministerie van Defensie (2007). Nota herzien re-integratiebeleid Defensiepersoneel. Den Haag: Auteur.
 Ministerie van Justitie (2002). Privé geweld- publieke zaak. Den Haag: Auteur.
 Ministerie van Justitie (2004). Voortgangsbericht over de aanpak van huiselijk geweld. Den Haag: Auteur.
 Ministerie van Justitie (2007). Huiselijk geweld. Feiten & Achtergronden (F & A 7697). Den Haag: Auteur.
 Moraal, H.J. e.a. (2003). Convenant strafrechtelijke aanpak huiselijk geweld arrondissement ’s-Gravenhage. Den Haag.
 Stichting Bureaus Jeugdzorg Haaglanden/ Zuid-Holland (2007). Kindspoor. Voortijdige signalering en aanpak van geweld in gezinnen. Den Haag.
 TransAct (2006). Huiselijk geweld: Een kerntaak voor de politie.
 Veer, de, C.J.M. (2004). Advies veteranenzorg. Defensie.
 Vereniging van Nederlandse gemeenten (2007). Handreiking bouwstenen voor de aanpak van huiselijk geweld. Den Haag: Auteur

http://pkn.politieacademie.nl/intranet

http://usmilitary.about.com

http://www.defensie.nl

http://ww,huiselijkgeweld.nl

http://www.huiselijkgeweldhaaglanden.nl

http://www,huisverbod.nl

http://www.movisie.nl

http://www.veteraneninstituut.nl

 

Noot Raoul Janssen: Bovenstaande feit PTSS en proeve van bekwaamheid geeft geen recht op. Beide zijn via externe bronnen verkregen. Bovenstaande zijn puur informatief bedoeld.