Wat is PTSS en wanneer is er sprake van?

voorwaarden PTSSVoordat men kan spreken over Post Traumatisch Stressstoornis zal er aan enkele wetenschappelijke/ medische voorwaarden moeten worden voldaan. Ik besef me heel goed dat niet voor iedereen het zelfde zal gelden. Ik ben van mening dat de basis van PTSS voor iedereen wel het zelfde is, maar de “verpakking” (oorzaak en sympthonen) zal per persoon verschillen.

PTSS is een angststoornis en moet niet worden verward met het normale verwerkingsproces na een traumatische gebeurtenis. Voor de meeste mensen verdwijnen de emotionele gevolgen van een trauma na enkele maanden. Als deze echter langer duren, kan er sprake zijn van een psychische aandoening. Als de stoornis niet wordt behandeld, kan deze zeer ernstige vormen aannemen..

Het DSM-IV geeft de volgende criteria voor de posttraumatische stressstoornis:

  • A. De persoon is blootgesteld aan een traumatische ervaring waarin beide volgende gevallen zich hebben voorgedaan:
    1. De persoon is met een gebeurtenis geconfronteerd die doodsbedreigend is, waarin een ernstig letsel zou kunnen optreden of die de lichamelijke integriteit van de persoon of anderen in gevaar brengt.
    2. De reactie van de persoon is intense angst, hulpeloosheid of afschuw. Bij kinderen kan dit zich uiten door wanordelijk of geagiteerd gedrag.
  • B. De persoon herbeleeft het trauma voortdurend op minstens één van de volgende manieren:
    1. Herhaalde en ingrijpende onaangename herinneringen aan de gebeurtenis, waaronder beelden, gedachten of waarnemingen. Jonge kinderen kunnen herhaaldelijk spelletjes doen waarin aspecten van het trauma worden nagespeeld.
    2. Herhaalde verontrustende dromen over de gebeurtenis. N.B.: Kinderen kunnen angstdromen hebben zonder herkenbare inhoud.
    3. Gedrag of gevoelens alsof de traumatische gebeurtenis zich herhaalt (inclusief het gevoel de gebeurtenis opnieuw te beleven, illusies, hallucinaties, en dissociatieve flashbacks, met inbegrip van flashbacks die optreden als de persoon wakker of geïntoxiceerd is). Bij jonge kinderen kan het heropvoeren van het trauma optreden.
    4. Intense psychologische spanning bij blootstelling aan interne of externe prikkels die het trauma symboliseren of erop lijken.
    5. Fysiologische reacties op blootstelling aan interne of externe prikkels die het trauma symboliseren of erop lijken.
  • C. Aanhoudend vermijding van prikkels die aan het trauma doen denken of afstomping van het reactief vermogen (niet aanwezig voor het trauma), wat blijkt uit drie of meer van de volgende criteria:
    1. Pogingen tot het vermijden van gedachten, gevoelens of gesprekken die aan het trauma doen denken.
    2. Pogingen tot het vermijden van activiteiten, plaatsen of mensen die herinneringen aan het trauma oproepen.
    3. Onvermogen om zich belangrijke aspecten van het trauma te herinneren.
    4. Duidelijk verminderde interesse of deelname aan belangrijke activiteiten.
    5. Gevoel van onthechting of vervreemding van anderen.
    6. Beperkt bereik van affectie (bv. niet in staat zijn gevoelens van liefde te hebben).
    7. Gevoel een beperkte toekomst te hebben (bv. geen verwachting van carrière, huwelijk, kinderen of een normale levensduur).
  • D. Aanhoudende symptomen van verhoogde prikkelbaarheid (niet aanwezig voor het trauma), wat blijkt uit twee of meer van de volgende criteria:
    1. Moeite met inslapen of doorslapen.
    2. Irritatie of woede-uitbarstingen.
    3. Concentratieproblemen.
    4. Extreme waakzaamheid.
    5. Ernstige schrikreacties.
  • E. De duur van de stoornis (symptomen in criterium B, C en D) is meer dan een maand.
  • F. De stoornis veroorzaakt ernstig lijden of beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren of op andere terreinen.

Bron: Wikipedia.